Magellan & 333 jaar Spanje (1521–1898)
Op 16 maart 1521 bereikte de Portugese zeevaarder Ferdinand Magellan (in dienst van de Spaanse kroon) de Filipijnen — het eerste gedocumenteerde Europese contact met de archipel. Hij landde op Homonhon, raakte bevriend met de heerser van Cebu (Rajah Humabon) en doopte hem en zijn koningin — en schonk haar het beeld van Santo Niño, dat tot op de dag van vandaag in de basiliek van Cebu wordt vereerd.
Maar Magellans verhaal eindigde abrupt: op 27 april 1521 werd hij in de Slag bij Mactan gedood door Lapulapu, het hoofd van het eiland Mactan. Lapulapu wordt tegenwoordig beschouwd als de eerste Filipijnse vrijheidsheld — zijn standbeeld staat in Mactan, Cebu. Ironisch genoeg staan de monumenten voor Magellan en Lapulapu slechts enkele honderden meters van elkaar verwijderd.
In 1565 kwamen de Spanjaarden terug en bleven 333 jaar. Ze stichtten Manilla als koloniale hoofdstad, christen de eilanden (meer dan 80% van de Filipijnen is tegenwoordig katholiek) en vestigden een systeem van onderdrukking: dwangarbeid, landonteigening en de macht van de kloosterorden. De Manilla-Acapulco-galeonhandel (1565–1815) maakte Manilla tot een wereldwijde handelsknooppunt — Chinese zijde en porselein gingen naar Mexico, Mexicaans zilver kwam terug.
Het einde kwam door de Filipijnse Revolutie (1896), geleid door Andrés Bonifacio (oprichter van de geheime Katipunan-broederschap) en Emilio Aguinaldo. De intellectuele vonk kwam van José Rizal, wiens romans „Noli Me Tangere" en „El Filibusterismo" de misstanden van het koloniale bewind aan de kaak stelden. Rizals executie op 30 december 1896 werd de katalysator van de revolutie.
