Empire & Industriële Revolutie (1600–1900)
Het Britse Rijk was het grootste rijk in de geschiedenis — op zijn hoogtepunt omvatte het een kwart van de aarde en een vijfde van de wereldbevolking. „The Empire on which the sun never sets" was geen overdrijving: Op elk moment van de dag en nacht scheen ergens de zon op Brits grondgebied.
Het begon met Elizabeth I (1558–1603), die Engeland tot een zeemacht maakte, de Spaanse Armada versloeg en het gouden tijdperk van de literatuur inluidde (Shakespeare!). In de 17e/18e eeuw breidde het Empire zich uit naar Noord-Amerika, India, Australië, Afrika en het Caribisch gebied. De trans-Atlantische slavenhandel (12,5 miljoen ontvoerde mensen) was een fundamenteel onderdeel van de Britse rijkdom — een erfenis waar Groot-Brittannië tot op de dag van vandaag mee worstelt.
De Industriële Revolutie (vanaf 1760) begon in Engeland — met de stoommachine (James Watt, Schotland), de Spinning Jenny (textielindustrie), spoorwegen (George Stephenson) en het fabriekssysteem. Groot-Brittannië werd de „werkplaats van de wereld", maar de arbeidsomstandigheden waren wreed: kinderarbeid, 16-urige werkdagen, sloppenwijken. Manchester, Birmingham en Glasgow groeiden explosief.
Koningin Victoria (1837–1901) gaf haar naam aan een heel tijdperk. Het Victoriaanse tijdperk was de bloeitijd van het Empire: Spoorwegen omspanden de wereld, de Crystal Palace Exhibition (1851) vierde de Britse vooruitgang, en „Britse waarden" (stiptheid, orde, understatement) werden wereldwijd geëxporteerd — samen met thee, cricket en parlementarisme.
