Franse koloniale periode (1858–1954)
In 1858 vielen Franse troepen Đà Nẵng binnen en begonnen met de kolonisatie van Vietnam. Tegen 1887 was heel Indochina (Vietnam, Laos, Cambodja) onder Franse controle. Vietnam werd in drie delen verdeeld: Tonkin (noorden), Annam (midden), Cochinchina (zuiden).
Wat de Fransen achterlieten
De koloniale erfenis is tot op de dag van vandaag zichtbaar:
- Architectuur: Koloniale gebouwen in Hanoi (Opera, Hoofdpostkantoor), HCMC (Notre-Dame, Stadhuis), Đà Lạt (villa's). Veel worden tegenwoordig gebruikt als hotels en musea.
- Eten: De Bánh Mì (baguette) en de koffie — beide geïntroduceerd door de Fransen, door de Vietnamezen geperfectioneerd.
- Taal: Talrijke Franse leenwoorden in het Vietnamees (phô mai = fromage = kaas).
- Schrift: Het Latijnse schrift (Chữ Quốc Ngữ) verving de Chinese karakters — ironisch genoeg een uitvinding van Franse missionarissen, die Vietnam de hoogste alfabetiseringsgraad van Zuidoost-Azië bezorgde.
Verzet
Het verzet tegen de Fransen was onvermoeibaar. Hồ Chí Minh (1890–1969) werd de sleutelfiguur: Hij richtte in 1941 de Việt Minh op, en op 2 september 1945 — na de Japanse capitulatie in de Tweede Wereldoorlog — riep hij op het Ba-Đình-plein in Hanoi de onafhankelijkheid van Vietnam uit. Zijn toespraak begon met de woorden van de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring: „Alle mensen zijn gelijk geschapen..."
Maar Frankrijk wilde zijn kolonie terug. De Eerste Indochina-oorlog (1946–1954) eindigde met de verpletterende Franse nederlaag bij Điện Biên Phủ op 7 mei 1954 — een van de belangrijkste veldslagen van de 20e eeuw, die het einde van het Franse koloniale rijk in Azië bezegelde.
