De Weense Schmäh
De Schmäh is de nummer één cultuurtechniek van Wenen — en voor niet-Weners vaak moeilijk te doorgronden. Het is een bijzondere vorm van humor die ironie, charme, lichte boosaardigheid en speelse overdrijving combineert. De Schmäh is nooit helemaal serieus, nooit helemaal niet serieus — hij zweeft in een tussenrijk dat je kunt voelen, maar moeilijk kunt uitleggen.
Een klassieke Schmäh werkt zo: Je zegt iets licht overdreven of absurds met een absoluut serieus gezicht. De ander weet (of zou moeten weten) dat het niet helemaal klopt — en speelt mee. Het is een verbaal pingpong waarbij beide partijen plezier hebben. Wie de Schmäh niet begrijpt en alles letterlijk neemt, is "schmähresistent" — het ergste oordeel dat een Wener kan vellen.
De Schmäh heeft een belangrijke sociale functie: Hij overbrugt hiërarchieën, ontspant gespannen situaties en creëert nabijheid. Een taxichauffeur die je bij het instappen vraagt "Na, wohin soll's geh'n? Flughafen? Oder gleich Karibik?" voert Schmäh. Het juiste antwoord zou zijn: "Karibik wär' super, aber i hab nur a Zwanzgerl dabei." Je speelt mee.
Beroemde Schmäh-meesters waren Helmut Qualtinger (zijn "Herr Karl" is een genadeloze satire op de opportunistische Oostenrijker), Georg Kreisler ("Tauben vergiften im Park") en momenteel cabaretiers zoals Josef Hader en Alfred Dorfer. De zwarte humor — over dood, falen en vergankelijkheid — is typisch Oostenrijks. De beroemde uitspraak: "Die Lage ist hoffnungslos, aber nicht ernst."
