Alexander & Hellenisme (336-146 v. Chr.)
Uit het als "barbaars" verachte noorden kwam de macht die Griekenland en de halve wereld zou veranderen: Macedonië. Philippus II verenigde de Griekse stadstaten — deels door diplomatie, deels door militaire kracht. Na zijn dood in 336 v. Chr. nam zijn slechts 20-jarige zoon de erfenis over.
Alexander de Grote (356-323 v. Chr.) voerde in slechts 13 jaar de misschien wel opmerkelijkste veldtocht uit de geschiedenis. Vanuit Macedonië veroverde hij het gehele Perzische Rijk, trok door Egypte (waar hij Alexandrië stichtte), Mesopotamië, Perzië, Centraal-Azië tot aan India. Toen hij op 32-jarige leeftijd in Babylon stierf — aan koorts, vergif of alcohol — had hij een rijk van Griekenland tot de Indus gecreëerd.
Alexanders eigenlijke nalatenschap was van culturele aard: de Hellenisering van de gehele oostelijke Middellandse Zee-regio. Griekse taal, filosofie, wetenschap en kunst verspreidden zich van Egypte tot Afghanistan. De Bibliotheek van Alexandrië werd het grootste kenniscentrum van de antieke wereld. In deze periode werkten wiskundigen zoals Euclides en Archimedes, de astronoom Aristarchos (die al een heliocentrisch wereldbeeld voorstond!) en de filosoof Epicurus.
Na Alexanders dood viel zijn rijk uiteen in diadochenrijken: de Ptolemaeën in Egypte, de Seleuciden in Syrië/Perzië en de Antigoniden in Macedonië/Griekenland. Deze Hellenistische koninkrijken bloeiden cultureel, maar waren politiek steeds instabieler — wat uiteindelijk een opkomende macht in het westen toegang verschafte.