Onafhankelijkheid, Maffia & Revolutie
Onafhankelijkheidsoorlogen (1868–1898)
De strijd van Cuba tegen Spanje duurde drie decennia. De nationale held José Martí — dichter, journalist en revolutionair — sneuvelde in 1895 in de strijd, maar zijn nalatenschap dreef de strijd voort. In 1898 grepen de VS in (Spaans-Amerikaanse Oorlog), versloegen Spanje en maakten Cuba tot een feitelijke Amerikaanse kolonie — het beruchte Platt Amendment gaf de VS het recht om op elk moment militair in te grijpen.
Het maffiatijdperk (1940er–1950er)
Onder de dictator Fulgencio Batista werd Havana de speeltuin van de Amerikaanse maffia: Meyer Lansky bouwde casino's, Frank Sinatra zong in het Hotel Nacional, de prostitutie bloeide, en de rum vloeide rijkelijk. Havana was het Las Vegas van het Caribisch gebied — glamoureus, decadent en corrupt. De keerzijde: armoede, analfabetisme en brute onderdrukking van de plattelandsbevolking.
De Revolutie (1953–1959)
Op 1 januari 1959 vluchtten Batista en de maffia, en Fidel Castro, Che Guevara en hun revolutionairen trokken Havana binnen. De revolutie beloofde gelijkheid, onderwijs en gezondheidszorg — en leverde daadwerkelijk: Cuba heeft tot op de dag van vandaag een van de laagste analfabetismepercentages ter wereld en een gratis gezondheidssysteem dat zelfs door de WHO wordt geprezen.
De keerzijde: eenpartijheerschappij, geen persvrijheid, politieke gevangenen, economische isolatie en het VS-embargo (sinds 1962), dat Cuba tot op de dag van vandaag economisch wurgt. De waarheid over de revolutie ligt — zoals zo vaak — ergens in het midden.