Precolumbiaanse tijd & koloniale tijd
Costa Rica's geschiedenis verschilt fundamenteel van die van zijn buren — en verklaart waarom dit kleine land zo uniek vreedzaam en stabiel is.
Precolumbiaanse tijd (tot 1502)
In tegenstelling tot de Maya's in het noorden of de Inca's in het zuiden waren er in Costa Rica geen grote hoogculturen. De regio lag op de grens tussen het mesoamerikaanse en Zuid-Amerikaanse cultuurgebied — een overgangszone waar invloeden van beide werelden zich vermengden. Verschillende inheemse volkeren — Chorotegas, Huetares, Bribri, Cabécares, Malekus — leefden in kleinere gemeenschappen van jacht, visvangst en landbouw.
Hun belangrijkste nalatenschap zijn de mysterieuze stenen bollen (Esferas de Piedra) van de Diquís-cultuur: perfect ronde bollen van gabbro-graniet, tot 2,5 meter in diameter en tot 15 ton zwaar. Hoe ze werden gemaakt, is tot op heden een raadsel — de heersende theorie stelt dat ze werden gevormd door gecontroleerd verhitten en afslaan met andere stenen, een proces dat maanden of jaren duurde. Sinds 2014 zijn de stenen bollen en de archeologische vindplaatsen van de Diquís-delta UNESCO-werelderfgoed. Men kan ze bezichtigen in het Museo Nacional in San José en in situ op het Osa-schiereiland (Finca 6).
Voor de komst van de Spanjaarden leefden naar schatting 400.000 mensen in het huidige Costa Rica. Binnen een eeuw na de verovering waren het er minder dan 20.000 — door meegebrachte ziekten, dwangarbeid en geweld.
Koloniale tijd (1502–1821)
Christoffel Columbus bereikte op 18 september 1502 tijdens zijn vierde en laatste reis de Caribische kust nabij het huidige Limón. Hij noemde het land „La Huerta" (De Tuin) en was onder de indruk van de gouden sieraden van de inheemse bewoners. Latere kolonisten doopten het „Costa Rica" — rijke kust — in de hoop op goud.
De teleurstelling was groot: Er was geen goud, geen zilver, geen grote arbeidsreserves (de meeste inheemsen waren gestorven of naar ontoegankelijke gebieden gevlucht). Costa Rica werd het armhuis van het Spaanse rijk. De weinige kolonisten in de Centrale Vallei moesten hun velden zelf bewerken — een omstandigheid die een egalitairere samenleving vormde dan elders in Latijns-Amerika, waar grootgrondbezit en slavenarbeid de norm waren.
Deze relatieve gelijkheid — arm, maar zonder extreme hiërarchieën — kenmerkt Costa Rica tot op heden. De Ticos zijn er trots op dat hun voorouders „eenvoudige boeren" waren, geen conquistadores of grootgrondbezitters.
