Byzantijnse Rijk (330–1453)
In 324 n. Chr. verplaatste keizer Constantijn de Grote de hoofdstad van het Romeinse Rijk naar Byzantium en noemde het Constantinopel — de stad die 1.100 jaar lang het machtigste centrum van de christelijke wereld zou zijn.
Keizer Justinianus I (527–565) liet de Hagia Sophia bouwen — het architectonische wonder dat de wereld 1.000 jaar lang domineerde. Onder de Byzantijnen ontwikkelde Anatolië zich tot het culturele hart van de orthodoxe christenheid: De rotskerken van Cappadocië met hun fresco's, de kloosters aan de Zwarte Zee (Sumela) en de theologische scholen getuigen van deze bloeiperiode.
Het Byzantijnse Rijk overleefde talloze belegeringen, kruistochten en interne crises. De Vierde Kruistocht (1204) — waarbij de kruisvaarders niet het Heilige Land, maar Constantinopel zelf plunderden — verzwakte het rijk dodelijk. De laatste 250 jaar waren een langzame neergang, totdat sultan Mehmed II in 1453 de stad veroverde.