Geschiedenis van de badcultuur
De thermale cultuur van Hongarije heeft een meer dan 2.000 jaar oude geschiedenis. Al de Romeinen erkenden de rijkdom van de hete bronnen en bouwden in Aquincum (het huidige Óbuda, Boedapest) monumentale thermale baden. Resten van deze faciliteiten zijn tot op de dag van vandaag zichtbaar.
Het echte hoogtepunt brachten de Osmanen in de 16e en 17e eeuw. De Turkse bezetters waren gepassioneerde baders en bouwden enkele van de mooiste hammams van de islamitische wereld — midden in Boedapest. Het Rudas-bad (1550) en het Király-bad (1565) zijn originele Ottomaanse bouwwerken met achthoekige zwembaden onder koepels, waar het licht door stervormige openingen valt. Deze baden functioneren al bijna 500 jaar ononderbroken — een getuigenis van zowel de bouwkunst als de geologische gulheid.
In de 19e eeuw, tijdens de Gründerzeit van de Dubbelmonarchie, werden de thermale baden gehuld in neobarokke en jugendstilpaleizen: Het Széchenyi-bad (1913) en het Gellért-bad (1918) zijn architectonische totaalwerken, waarin geneeskrachtig water, kunst en sociaal leven samensmelten.
Vandaag de dag heeft Hongarije meer dan 450 openbare thermale baden — van het keizerlijke paleis in Boedapest tot het eenvoudige dorpsbad in de Puszta. Acht van de beste thermale steden ter wereld liggen in Hongarije, waaronder Boedapest, Hévíz, Hajdúszoboszló, Bük en Sárvár. De Hongaarse badcultuur is geen wellness-trend — het is een geleefd erfgoed, diep geworteld in de identiteit van het land.
